Definities Functiesoorten

1. HANDELEN

  • In het groot goederen of waardepapieren, diensten en andere handelswaren aan- en verkopen of hierbij bemiddeling verlenen;
  • Opdrachten verwerven en daarnaast op grond van ervaring met prijzen in een branche taxaties verrichten.

2. INKOPEN

  • Grondstoffen, producten, en diensten inkopen waarvan de prijs, kwaliteit en leveringscondities passen binnen het productie- en verkoopbeleid;
  • Hiervoor een gedegen marktverkenning en offertebehandeling uitvoeren.

3. VERKOPEN (KLANTEN BEZOEKEND)

  • Goederen en diensten verkopen en overeenkomsten afsluiten;
  • Hiervoor de klanten in hun eigen woon- of werkomgeving benaderen, nieuwe klanten winnen en met commerciële belangen voorlichting of adviezen geven omtrent samenstelling, gebruiks- en toepassingsmogelijkheden.

4. VERKOPEN (TELEFONISCH)

  • Via telefonische contacten goederen of diensten verkopen, hiervoor bestellingen of orders noteren en klanten winnen.

5. VERKOPEN (ADVISEREND)

  • In een winkel of magazijn goederen en diensten verkopen;
  • Hierbij desgevraagd (deskundig) informatie verstrekken en uitleg geven omtrent de gebruiksmogelijkheden.

6. VERKOPEN

  • In een winkel c.q. zelfbedieningszaak goederen of diensten verkopen, artikelen evt. afwegen, afsnijden, verpakken of prijzen, de vakken vullen, cliënten te woord staan en afrekenen.

7. DEMONSTREREN

  • De verkoop van een product stimuleren door persoonlijk bijzondere aandacht daarvoor te trekken middels aanprijzing en/of vertoning van het product aan het publiek.

8. SERVEREN / VERKOPEN

  • Bestellingen van dranken en eenvoudige eetwaren opnemen, dranken eventueel zelf bereiden;
  • Serveren en met de klant afrekenen.

9. BEREIDEN / VERKOPEN VOEDSEL

  • Eenvoudige eetwaren, zoals vis, wafels, patates-frites en poffertjes, bereiden, eventueel serveren en met de klanten afrekenen.
  • Zie ook bij VOEDSEL BEREIDEN.

10. BEREIDEN / VERKOPEN DRANKEN

  • Dranken bereiden, serveren en zich met de klanten onderhouden.

11. AFREKENEN

  • Met de klanten aan de kassa of aan het loket afrekenen, eventueel plaats- of toegangsbewijs en spaarzegels verstrekken, ruil- en retourbonnen uitschrijven.

12. ONTWERPEN / SCHETSEN

  • Ontwerpen maken en deze o.a. middels schetsen en tekeningen concretiseren;
  • Hierbij rekening houden met wensen van cliënten en technische-, esthetische-, en economische mogelijkheden.

13. TEKENEN / REKENEN

  • Aan de hand van een schets, tekening of model, detailtekeningen, calques, grafieken, materiaalstaten, bestekken en begrotingen maken;
  • Eventueel de opgegeven maatvoering overbrengen op door anderen te bewerken materialen.

14. TEKENEN

  • Uit de vrije hand naar eigen inzicht of op aanwijzingen van anderen met potlood, pen, penseel of ander tekenmateriaal, illustraties, schetsen, contourtekeningen e.d. vervaardigen.

15. VERTALEN / REDIGEREN

  • Berichten en artikelen vergaren, bewerken, corrigeren en soms ook presenteren;
  • In woord of geschrift vertalingen maken.

16. LEIDING GEVEN

  • De algehele leiding verzorgen van een bedrijf, instelling, overheidsdienst of een afdeling daarvan op vaktechnisch, commercieel, organisatorisch en/of administratief gebied.

17. WERKVOORBEREIDEN

  • Voorbereidende werkzaamheden van organisatorische aard verrichten, teneinde een vlotte voortgang te bewerkstelligen o.a. in de uitvoering van orders;
  • Werkplannen opstellen, bewerkings- en tijdschema’s uitwerken, dienstregelingen ontwerpen, volgorde en voortgang regelen en controleren.
  • Zie ook bij ADMINISTREREN REKENEN voor calculators.

18. INSPECTEREN

  • Toezicht houden op de uitvoering van werken, de naleving van voorschriften, verordeningen en wetten en controle op de algehele volksgezondheid.

19. JURIDISCH ADVISEREN

  • Op grond van kennis en inzicht in diverse zakelijke, fiscale en familierechtelijke aangelegenheden, akten opmaken, rechtsbijstand verlenen, pleidooien voeren en partijen vertegenwoordigen of voorzitten.

20. ROUTES ADVISEREN / LOODSEN

  • Op grond van langdurige ervaring en bekendheid met een bepaald gebied en de ontwikkeling daarin, bindende adviezen en aanwijzingen geven over de te volgen routes.

21. ADVISEREN

  • Zonder direct commerciële belangen op grond van diepgaande kennis en langdurige ervaring na een veelal op papier uitgewerkt onderzoek adviezen verstrekken op een specifiek vakgebied.
  • Zie ook bij VERKOPEN voor adviezen met commerciële belangen.

22. VOORLICHTEN

  • Zonder direct commerciële belangen informatie over een bepaald vakgebied zowel mondeling als schriftelijk verstrekken;
  • Hiertoe de zich voordoende vaktechnische ontwikkelingen signaleren, bestuderen en terugmelden.

23. ONTVANGEN / INFORMEREN

  • Bij bedrijven of instanties, rechtstreeks of via communicatiemiddelen als gastheer/gastvrouw optreden.
  • Zie ook bij BEHEREN.

24. ONDERZOEKEN (LABORANTEN)

  • Processen kwantitatief en/of kwalitatief bewaken door volgens voorschrift op representatieve wijze gegevens te verzamelen en hierover te rapporteren;
  • Eenvoudig onderzoek bijv. door vergelijking met een standaard in voorkomende gevallen zelf uitvoeren.

25. ONDERZOEKEN (ANALISTEN)

  • Op o.a. medisch, chemisch of arbeidskundig terrein voornamelijk volgens een zelf te kiezen gestandaardiseerde analytische methode gegevens verzamelen en vastleggen en eventueel op grond hiervan processen bijsturen/instrumenten aanpassen.

26. ONDERZOEKEN (RESEARCH)

  • Via zelf vast te stellen methoden nieuwe werkwijzen en producten ontwikkelen;
  • Bestaande stoffen, producten, organisaties e.d. ontleden teneinde problemen op te lossen en verbeteringen door te voeren.
  • Zie ook bij ADVISEREN.

27. ONDERZOEKEN (LITERATUUR)

  • Geschriften inhoudelijk bestuderen, typeren, eventueel kort samenvatten, klasseren en systematisch ordenen en ter beschikking stellen aan lezersgroepen.

28. BESTUREN VLIEGTUIG

  • Met verantwoordelijkheid voor vliegtuig, lading en inzittenden volgens vliegplan een vliegtuig besturen en/of een vliegplan maken.

29. BESTUREN SCHIP

  • Met verantwoordelijkheid voor de navigatie en veiligheid van opvarenden, lading sleep en/of duwbakken een schip besturen en toezicht houden bij laden en lossen.
  • Zie ook bij LEIDING GEVEN.

30. BESTUREN RAILVOERTUIG

  • Volgens dienstregeling of op een bedrijfsterrein passagiers en/of goederen vervoeren met een locomotor.

31. BESTUREN VRACHTAUTO

  • Een vracht- of bestelauto besturen en hiermede vracht vervoeren, laden en lossen.

32. BESTUREN AUTOBUS

  • Een autobus besturen en hiermede personen vervoeren.

33. BESTUREN PERSONENAUTO

  • Een personenauto of ambulancewagen besturen en hiermede personen vervoeren.

34. MENNEN

  • Met paarden bespannen voertuigen/werktuigen mennen.
  • Zie ook bij HULPWERK DOEN GEWAS / GROND.

35. SECRETARIAATSWERK DOEN

  • Voor één of enkele personen zelfstandig een grote variatie aan o.a. administratieve werkzaamheden verrichten, vergaderingen voorbereiden, bijwonen en notuleren en daarnaast ook representatief bezig zijn.

36. ADMINISTREREN (VREEMDE TALEN)

  • Administratieve werkzaamheden waarbij een mondelinge en/of schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid van één of meerdere talen aan de orde is.

37. ADMINISTREREN (NEDERLANDSE TAAL)

  • Werkzaamheden waarbij door anderen aangeleverde Nederlandse teksten moeten worden verwerkt, gecontroleerd en/of uitgewerkt.

38. ADMINISTREREN (REKENEN)

  • Werkzaamheden waarbij in hoofdzaak veel rekenwerk voorkomt.

39. ADMINISTREREN (WETSTECHNISCH)

  • Werkzaamheden waarbij toetsing voorkomt aan gegeven wetten en/of bestuurlijke regelingen.

40. ADMINISTREREN (ALGEMEEN)

  • Werkzaamheden van algemene administratieve aard.

41. BEWAKEN/ TOEZICHT HOUDEN

  • De openbare orde en veiligheid handhaven, bewakingsdiensten verrichten van objecten, installaties, gebouwen en terreinen.

42. BEHEREN

  • Toezicht houden op in- en uitgaande personeelsleden, bezoekers, leveranciers, afnemers en gasten, ev. informatie verstrekken en eenvoudige onderhoudswerkzaamheden verrichten.
  • Zie ook bij ONTVANGEN / INFORMEREN.

43. PERSONEELSWERK VERRICHTEN

  • Arbeidskrachten selecteren, werven en ontslaan; of bemiddelend optreden tussen vraag en aanbod op de arbeidsmarkt.

44. VERZORGEN GEESTELIJK WELZIJN

  • Op basis van geloofsleer geestelijke bijstand verlenen d.m.v. prediking, advisering, onderwijs, eredienst, e.d.

45. GENEZEN (MENSEN)

  • Het geestelijke en/of lichamelijk welzijn van mensen zoveel mogelijk in stand houden d.m.v. onderzoek, diagnose en behandeling.

46. BEVORDEREN MAATSCHAPPELIJK WELZIJN

  • Door pedagogische ondersteuning het maatschappelijk welzijn van mensen bevorderen.

47. VERPLEGEN

  • Geestelijk of lichamelijk zieke mensen of behoeftige mensen verplegen (voorgeschreven medische handelingen verrichten) en verzorgen.

48. THERAPEUTISCH BEGELEIDEN

  • Mensen met een lichamelijk gebrek begeleiden, teneinde dit gebrek op te heffen of verslechtering te voorkomen.

49. VERZORGEN (BEHOEFTIGEN)

  • Behoeftige personen verzorgen in hun directe omgeving of in een tehuis; huishoudelijke werkzaamheden verrichten.

50. VERZORGEN (GEZONDEN)

  • Particulieren behulpzaam zijn in de huishouding.
  • Zie ook bij SCHOONMAKEN (HUISHOUDELIJK).

51. VERZORGEN (UITERLIJK)

  • Het uiterlijk van mensen (haar, huid, nagels, e.d.) verzorgen.

52. TRAINEN

  • Door het geven van training en/of instructie gezonde mensen vaardigheden aanleren ter verhoging van de fysieke prestaties en/of lichaamsbeheersing.

53. LES GEVEN

  • Door doceren, onderwijzen of instrueren kennis en/of vaardigheden aanleren.

54. VERZORGEN (DIEREN)

  • Buiten de agrarische (productie)sfeer zelfstandig het welzijn en/of uiterlijk van dieren verzorgen.

55. DIERGENEESKUNDIG ASSISTEREN

  • Assisteren bij de geneeskundige verzorging, behandeling en onderzoek van dieren en/of zelfstandig insemineren.

56. DIEREN AFRICHTEN

  • Oefenen met dieren om hun een gedragspatroon aan te leren.

57. GENEZEN (DIEREN)

  • De diergeneeskunde uitoefenen door onderzoek, diagnose en behandeling.

58. JAGEN / BESTRIJDEN

  • Door jacht Of vangst de wildstand op pdil houden of onged)erte bestrijden.

59. BLOEMEN SCHIKKEN

  • Bloemen bundellen of bloemen en plantendecoraties samenstellen.

60. TUINBOUWWERK VERRICHTEN

  • Veelal zelfstandig een grote vAriatie aan werkzaamhedej verrIchten in de tuinbouw.
  • Zie ook bij HULPWERK DOEN.

61. LANDBOUWWERK VERRICHTEN

  • Veelal zelfstandig een grote variatie aan werkzaamheden verrichten op een akkerbouwbedrijf of op een (pluim)veehouderij.
  • Zie ook bij HULPWERK DOEN.

62. BOSBOUWWERK VERRICHTEN

  • Veelal zelfstandig een grote variatie aan bosarbeid verrichten.
  • Zie ook bij HULPWERK DOEN.

63. VISSERIJWERK VERRICHTEN

  • Ten behoeve van de visvangst veelal zelfstandig allerlei werkzaamheden verrichten aan boord van een visserijvaartuig.
  • Zie ook bij HULPWERK DOEN.

64. SLAGERIJ WERK

  • (Pluim)vee slachten en onderdelen zelfstandig naar soort en kwaliteit uitsnijden en gereed maken voor de verkoop; worst en vleeswaren bereiden; eventueel ook aan- en verkoop verzorgen.
  • Zie ook bij SNIJDEN / SLACHTEN.

65. KOK

  • In een hotel, restaurant of andere instelling met een keuken, de verantwoordelijkheid dragen voor de inkoop van eetwaren en leiding geven aan keukenpersoneel; maaltijden en gerechten zelfstandig in een grote variatie bereiden.
  • Zie ook bij VOEDSEL BEREIDEN.

66. BAKKEN

  • Met verantwoording voor bereidingswijze en receptuur zelfstandig een grote variatie aan bakkers- en banketbakkerswaren vervaardigen.
  • Zie ook bij VOEDSEL BEREIDEN.

67. RESTAURANTKELNER

  • In een horecabedrijf gasten desgevraagd adviseren bij de keuze; de dranken en spijzen serveren en zonodig ter plekke de bereiding voltooien.
  • Zie ook bij SERVEREN / VERKOPEN.

68. METSELEN

  • Volgens werktekeningen of algemene aanwijzingen allerlei metselwerk verrichten t.b.v. de aanleg van muren, schoorstenen, riolen, ovens, ketels, rookkanalen enz.
  • Zie ook bij VOEGEN.

69. TEGELZETTEN

  • Volgens werktekening of algemene aanwijzing muren, vloeren enz. met tegels of plavuizen bekleden.

70. STRAATMAKEN

  • Met verantwoording voor maatvoering, verloop e.d. op wegen, paden, trottoirs, dijkwerken of kaden in een bepaald verband keien, klinkers, tegels, basalt- of blokstenen aanbrengen.

71. BETONIJZERVLECHTEN

  • Naar werktekening werkstaten maken, betonstaal vlechten en stellen of betonstaal volgens een buigstaat knippen en buigen en aan de hand van een werktekening een vlechtwerk maken.
  • Zie ook bij ASSEMBLEREN / SAMENSTELLEN.

72. STEENHOUWEN

  • Zelfstandig natuursteen met handgereedschap of machinaal kloven, behakken, schaven, boren, schuren en polijsten; letters en ornamenten tekenen en hakken.

73. BOETSEREN / MODELMAKEN

  • Modellen ontwerpen en boetseren volgens ontwerpschets of werktekening; uit de hand of met handgereedschap m.b.v. leem, kernzand, gips en/of andere mengsels ingewikkelde gietvormen maken.
  • Zie ook bij ARTIESTEN.

74. SCHILDEREN / SPUITEN

  • Zelfstandig, naar model of tekening, eigen ontwerp of algemene aanwijzingen voorwerpen bewerken (ontroesten, schuren, gronden, plamuren, enz.) en –zonnodig met behulp van (eventueel zelf te vervaardigen) sjablonen- met een penseel, kwast of spuit voorzien van een verf- of laklaag, biezen of figuren.
  • Zie ook bij VERVEN / SPUITEN.

75. TIMMEREN

  • Naar model of aan de hand van werktekeningen of uitslagen, met handgereedschap en eventueel gebruikmakend van gereedschapsmachines, veelal naar eigen inzicht en werkaanpak een grote diversiteit aan timmer- en stelwerk verrichten.

76. MACHINAAL HOUTBEWERKEN

  • Zelfstandig met bewerkingsmachines en eventueel handgereedschap naar tekening of model kleine series werkstukken vervaardigen.
  • Zie ook bij MACHINES BEDIENEN.

77. MEUBELMAKEN

  • Machinaal en uit de hand volgens tekening onderdelen voor meubelen of biljarts vervaardigen, samenstellen en afwerken.
  • Zie ook bij MACHINES BEDIENEN.

78. ZETTEN (HAND)

  • Voor drukwerken uit verschillende lettertypen, cliché’s, vignetten, enz. handzetsels vervaardigen en deze eventueel zelfstandig opbouwen tot een groter geheel (opmaken).

79. FOTOGRAFEREN / CAMERA BEDIENEN

  • Langs fotografische weg opnamen maken en/of aan de opnamen bewerkingen uitvoeren zoals vergroten, verkleinen, reproduceerbaar maken enz.

80. MONTEREN / KOPIIST

  • Film en/of papiermateriaal met tekst, foto’s, tekeningen e.d. tot een geheel monteren en de beelddrager vervaardigen door kopiëren.

81. RETOUCHEREN

  • Voor de vervaardiging van beelddragers positieven of negatieven retoucheren tot de juiste scherpte is bereikt.

82. GRAVEREN (HAND)

  • Aan de hand van tekeningen met handgereedschap figuren of letters graveren in metaal of glas.

83. METAALETSEN

  • Ter vervaardiging van cliché’s, beelddragers, drukwalsen e.d. langs chemische of elektrolytische weg oppervlakken behandelen (op diepte brengen), zodanig dat het te reproduceren geheel kan worden overgebracht.

84. BOEKBINDEN

  • Kleinere oplagen boeken of losse tijdschriften met handgereedschap en eenvoudige machines (in)binden; oude boeken herbinden.
  • Zie ook bij MACHINES BEDIENEN.

85. BELICHTEN

  • Ten behoeve van filmopnamen of (toneel-) voorstellingen lampen plaatsen en de bundeling, sterkte en richting van de belichting regelen.

86. COUPEREN STOFFEN

  • Van cliënten maten opnemen en aan de hand daarvan snijpatronen tekenen en uit de stoffen of bont onderdelen snijden; in een confectiebedrijf proefmodellen snijden, productiepatronen tekenen en uitsnijden.
  • Zie ook bij KNIPPEN / SNIJDEN.

87. KLEERMAKEN

  • Voornamelijk uit reeds gesneden onderdelen heren en/of damesmaatkleding samenstellen en afwerken; in een heren- of damesmodezaak confectiekleding op pasvorm beoordelen en eventueel daaraan veranderingen aanbrengen c.q. aangeven.
  • Zie ook bij NAAIEN / STIKKEN.

88. LEDERBEWERKEN

  • Naar model of eigen ontwerp allerlei of enkele soorten lederwaren (zoals tassen, schonen en zadels) vervaardigen.

89. STOFFEREN

  • Met verantwoording voor maatvoering en toepassingsmogelijkheden van stoffering e.d. oppervlakten bekleden.

90. DRAAIEN

  • Werkstukken op een draaibank opspannen en het draaiende werkstuk met een zelf in te stellen beitel of handbeitels volgens tekening of model bewerken.
  • Zie ook bij MACHINES BEDIENEN.

91. FREZEN

  • Werkstukken op een freesbank opspannen en met een zelf in te stellen draaiende frees het werkstuk volgens tekening of model bewerken.
  • Zie ook bij MACHINES BEDIENEN.

92. BOREN / KOTTEREN

  • Met in een boormachine of kotterbank te bevestigen boren of beitels volgens (af)tekening of model gaten in werkstukken boren of ruimen.
  • Zie ook bij MACHINES BEDIENEN.

93. SCHAVEN

  • Volgens tekening of aftekening met behulp van beitels werkstukken machinaal afschaven of uitsteken.
  • Zie ook bij MACHINES BEDIENEN.

94. SLIJPEN (GEREEDSCHAP)

  • Gereedschappen voor bewerkingsmachines, zoals beitels, frezen, tappen, boren, enz. met behulp van een slijpmachine scherpen (en zo nodig in profiel brengen) of werkstukken machinaal slijpen.
  • Zie ook bij MACHINES BEDIENEN.

95. GEREEDSCHAPMAKEN

  • Met handgereedschap en gereedschapmachines als draaibanken enz. volgens tekening gereedschappen zoals mallen, stempels, profielbeitels en frezen of precisieapparaten en instrumenten vervaardigen, zoals medische instrumenten, meters voor (chemische en andere) installaties en vliegtuiginstrumenten.

96. BANKWERKEN

  • Met handgereedschap en eenvoudige machines als zaag- en boormachines, volgens tekening onderdelen van machines, motoren en apparaten bewerken en monteren.

97. EDEL- EN KUNSTSMEDEN

  • Sierkunstwerken uit edele en veredelde metalen vervaardigen en eventueel ontwerpen.

98. SMIDBANKWERKEN

  • Werkstukken in een smidsvuur verhitten en met een hamer op een aambeeld of met een lichte mechanische hamer volgens tekening of model in de vereiste vorm smeden; reparaties verrichten aan kachels, sloten, hekken, landbouwmachines en (landbouw) gereedschappen.

99. PLAATWERKEN

  • Machinaal en met handgereedschap plaatmateriaal volgens tekening in model zetten of kloppen en daartoe werkzaamheden uitvoeren als aftekenen, knippen, boren, ponsen, lassen en/of klinken; plaatwerk repareren of in de oorspronkelijke vorm brengen.

100. PIJPENMONTEREN / PLAATWERKEN

  • Pijpleidingen volgens tekening of schets buigen, pasklaar maken, aan elkaar bevestigen; zacht plaat- en pijpmateriaal bewerken tot dakbedekking, dakgoten en afvoerpijpen; de installaties aansluiten, onderhouden en eventueel repareren.

101. CONSTRUCTIES MONTEREN

  • Uit voorbewerkte profielen en platen in een constructiewerkplaats of ter plaatse volgens tekening constructiewerken, carrosserieën, vliegtuigrompen enz. opstellen, afmonteren en/of samenbouwen.

102. MONTEREN / SAMENSTELLEN

  • Machines volgens tekening, motoren en bijbehorende hulpapparaten in de fabriek of op de plaats van bestemming uit onderdelen opbouwen, opstellen, uitlijnen en in het bedrijf stellen.

103. MONTEREN / REPAREREN (ALGEMEEN)

  • Machines, apparaten, bedrijfsinstallaties of onderdelen daarvan onderhouden en repareren; evt. zelf vervangingsonderdelen vervaardigen.

104. MONTEREN / REPAREREN MOTORVOERTUIGEN

  • De goede werking van auto’s, trekkers, motorrijwielen, enz. controleren, deze onderhouden, repareren en/of motor revideren.

105. MONTEREN / REPAREREN (BROM) FIETSEN

  • (Brom) fietsen en kleine 2-takt motoren onderhouden, storingen en defecten hieraan opsporen en herstellen.

106. MONTEREN / REPAREREN STERKSTROOM

  • Rekening houdend met de veiligheidsvoorschriften elektrische licht- en krachtinstallaties met bijbehorende motoren enz. volgens tekening of schema bedraden en aansluiten; bliksemafleiders en laagspanningsnetten aanleggen; de installaties onderhouden en repareren.

107. MONTEREN / REPAREREN ZWAKSTROOM

  • Volgens tekening of schema zwakstroominstallaties, zoals telefoon- en telexinstallaties of elektrische installaties ten behoeve van auto’s, vliegtuigen enz., aanleggen, onderhouden en repareren.
  • Zie ook bij ASSEMBLEREN.

108. MONTEREN / REPAREREN ELEKTRONICA

  • Volgens tekening of schema allerlei elektronische apparaten, zoals radio, televisie, radar en computerapparatuur opbouwen, aansluiten, onderhouden en repareren.

109. MONTEREN / REPAREREN MECHANISCH / ELEKTRISCH

  • Volgens tekening of schema, zowel mechanische als elektrische montagewerkzaamheden verrichten en storingen aan installaties opsporen en herstellen.

110. PROTHESEMAKEN

  • Volgens medisch recept en/of zelf genomen maten met behulp van handgereedschap en gereedschapsmachines prothesen maken zoals beenprothesen en kunstgebitten.

111. MUZIEKINSTRUMENTMAKERN

  • Met behulp van handgereedschappen of gereedschapsmachines muziekinstrumenten vervaardigen, repareren, reviseren of stemmen.

112. HORLOGEMAKEN

  • Kleine of grote uurwerken monteren, repareren of revideren.

113. MAQUETTEMAKEN

  • Volgens tekening of naar eigen ontwerp op schaal uit diverse materialen maquettes vervaardigen van uit te voeren werken zoals decors, gebouwen, stadswijken en installaties.

114. RESTAUREREN

  • Kunstvoorwerpen reinigen en beschadigingen herstellen in dienst van een museum of als zelfstandige.

115. TONEELMEESTER

  • In een theater of studio decors vervaardigen en herstellen; decors en rekwisieten aanbrengen en verwisselen.

116. ETALEREN

  • Decoraties voor en uitstallingen van goederen in winkels, etalages of op tentoonstellingstands creëren en aanbrengen.

117. AMANUENSIS

  • In dienst van een onderwijsinstituut natuur- of scheikundige en biologische experimenten voorbereiden en uitvoeren; het instrumentarium beheren, reparaties aan apparaten verrichten en eenvoudige toestellen vervaardigen.

118. GLASBLAZEN

  • Met een blaaspijp met een klompje gloeiend glas of uitgaande van een verhitte glazen buis naar tekening of model door blazen, trekken, lassen of buigen kleine series glazen voorwerpen vervaardigen.

119. OPTICIEN

  • Contactlenzen aanmeten of brillenglazen pas snijden, facetteren, zonodig doorboren en monteren; brilmonturen repareren.

120. OUDE AMBACHTEN

  • Zie de lijst hieronder.

Lijst Oude Ambachten

Beroepsgroep

Beroepsnaam

Beroepsniveau

03

emailleur

4

03

emailmeester

4

04

aardewerkdraaier

2

04

diamantklover

4

04

pottendraaier

2

04

pottenmaker

2

05

mergelboorder

4

05

seismisch schietmeester

4

05

springmeester

4

08

handwever

3

08

zeilmaker

3

09

chocoladevormer

3

09

chocolatier

3

09

decorateur

3

09

sigarenmaker

2

09

sigarenopdekker

2

12

preparateur

5

Exporteren naar Spreadsheets

121. DUIKEN

  • In een duikerspak met helm of met een zuurstofapparaat onder water onderzoekingen en lichte werkzaamheden verrichten.

122. APOTHEKERSASSISTENT

  • Onder supervisie van een apotheker, volgens door artsen of de apothekers opgegeven recepten of specificaties, allerlei geneesmiddelen bereiden of samenstellen; controle uitoefenen op de door artsen aangegeven dosis en hierover in twijfelgevallen overleg plegen met de apotheker of in diens opdracht contact opnemen met de betreffende arts.

123. SNIJDEN / SLACHTEN

  • Dieren slachten en met handgereedschap een gedeelte van de slachtwerkzaamheden als uitbenen en ontzwoerden uitvoeren; vissen in hun geheel bewerken.

124. VOEDSEL BEREIDEN

  • In een productiebedrijf of keuken met handgereedschap assisteren bij het gereedmaken van voedings- en genotmiddelen.

125. VOEGEN

  • Metselvoegen uithakken, reinigen en met specie vullen.

126. STUKADOREN

  • Plafonds, wanden en vloeren voorzien van een sierpleister-, gips- of betonlaag.

127. DAKDEKKEN

  • Daken met riet, lei, pannen of mastiek bedekken.

128. GLASZETTEN / SNIJDEN

  • Glas op maat snijden en aanbrengen.

129. VERVEN / SPUITEN

  • Grote oppervlaktes of series voorwerpen met handgereedschap of door spuiten of verven van een beschermende of decoratieve laag voorzien.

130. KLEDING HERSTELLEN / BORDUREN

  • Met de hand weefsel en kleding herstellen en/of versieren door naaien, stoppen, mazen en borduren.

131. VOUWEN / STRIJKEN

  • Met eenvoudige handapparatuur textiel vouwen, persen en/of strijken.

132. KNIPPEN / SNIJDEN

  • Met handgereedschap textiele materialen, leer e.d. doorknippen, snijden en op maat maken.

133. VLECHTEN / KNOPEN

  • Met eenvoudig handgereedschap in serie producten maken door het vlechten, splitsen of knopen van soepele materialen als touw, riet en textiel.

134. MACHINES BEDIENEN

  • Met machines/installaties grote series producten vervaardigen door de machines aan en uit te zetten, materialen aan en af te voeren; eventueel instellen op aangebrachte merkstrepen.

135. MACHINES BEDIENEN / STELLEN

  • Met niet of eventueel gedeeltelijk geautomatiseerde machines/installaties veelal series producten maken door machines/installaties in te stellen en naar eigen inzicht bij te stellen op grond van de kwaliteit en de kwantiteit van de producten; eventueel de aan- en afvoer van producten verzorgen.

136. NAAIEN / STIKKEN

  • Onder voortdurende handgeleiding grotere series kleding of andere textiele, papieren of lederen producten vervaardigen door voorgeknipte stukken van dit materiaal aaneen te naaien of te stikken door bediening en instelling van de apparatuur.

137. PROCESSEN BEWAKEN

  • Vrijwel geheel geautomatiseerde processen opstarten, bijsturen en bewaken en eventueel op handbediening overschakelen of stoppen; bij overschrijding van limieten deskundigen informeren.

138. MACHINES OMBOUWEN / STELLEN

  • Ten behoeve van een andere procesgang machines en instrumenten voor de productie gereed maken door ze om te bouwen en in te stellen.
  • Zie ook bij MONTEREN / REPAREREN.

139. MACHINES BEDIENEN / REPAREREN

  • Apparaten of machines bedienen, instellen, bijstellen en de werking controleren; tevens zorgdragen voor reparaties en onderhoud.
  • Zie ook bij MONTEREN / REPAREREN.

140. HULPWERK DOEN GEWAS / GROND

  • Met de hand en met gereedschappen diverse eenvoudige weg-, grond-, en gewasverzorgende werkzaamheden verrichten.

141. HULPWERK DOEN OVERIGE

  • Met de hand en eenvoudige gereedschappen allerlei werkzaamheden verrichten in een bepaalde branche of bedrijfsafdeling.

142. MACHINES VOEDEN / PRODUCTEN AFVOEREN

  • Met de hand en eenvoudige gereedschap materialen in de machine/installatie voeren en/of gereed zijnde producten afvoeren.

143. STOFFEN AFWEGEN / MENGEN

  • Stoffen volgens richtlijnen afwegen en eventueel mengen.

144. ASSEMBLEREN / SAMENSTELLEN

  • Door verzamelen, ordenen en vervolgens met behulp van bouten en moeren of technieken als solderen, klinken en plakken, (half-) producten aaneen bouwen.

145. LASSEN

  • Uit de hand grote series producten door middel van lassen aaneen smelten.

146. AFBRAMEN / POLIJSTEN

  • Met eenvoudig handgereedschap producten door schuren, polijsten e.d. afwerken.

147. SLOPEN

  • Voorwerpen of bouwsels al dan niet met geweld uiteen halen.

148. MOBIELE MACHINES BEDIENEN

  • Met vrij rijdende machines grond bewerken, gewassen verzorgen en wegen aanleggen of lasten verplaatsen.

149. KRAANDRIJVEN

  • Met kranen lasten verplaatsen, veelal op aanwijzing van derden.

150. OPSLAAN / UITGEVEN

  • In een magazijn, bibliotheek, archief, houtwerk e.d. inkomende goederen op kwaliteit en kwantiteit controleren, opslaan en uitgeven; bovendien zorgen voor de administratieve afdoening.

151. SORTEREN

  • Grondstoffen en producten zintuiglijk beoordelen aan door ervaring bekende normen en ze op grond daarvan scheiden in gelijksoortige groepen.

152. INPAKKEN / VERPAKKEN (HANDMATIG)

  • Met de hand en handgereedschap goederen inpakken/verpakken.

153. INPAKKEN/VERPAKKEN (MACHINAAL)

  • Met gebruik van machines goederen inpakken/verpakken.

154. BEZORGEN

  • Over het algemeen lichtere goederen bezorgen, veelal lopend danwel gebruik makend van lichte transportmiddelen zoals een fiets.


155. TRANSPORTEREN / SJOUWEN

  • Met lichaamskracht en eventueel met ongemotoriseerde kleine transportmiddelen (zoals een kar of kruiwagen) vrij zware goederen over korte afstand verplaatsen.

156. SCHOONMAKEN (HUISHOUDELIJK)

  • Met de hand en eenvoudige hulpmiddelen huishoudelijke schoonmaakwerkzaamheden verrichten.

157. SCHOONMAKEN / SMEREN (INDUSTRIEEL)

  • Met de hand of machinaal grotere objecten en installaties schoonmaken of ontdoen van roest, oude verflagen e.d.; bewegende delen van een installatie, motor, e.d. (door-)smeren.

 

Translate »